Ik moet iets opschrijven, maar wil het niet. Of, ik wil wel, maar ben er bang van.
Het is alsof hij steeds bij me is. Hij controleert iedere beweging die ik maak, elke gedachte die door m'n hoofd schiet. Ik weet dat het probleem bij mij zit, want in de realiteit is hij zich nauwelijks van mij bewust. Toch voel ik me gevangen, in mijn eigen angst.
Alsof hij staat te kijken voor het raam en op elk moment de straat zal oversteken en naar me toe zal komen, zoals hij dat deed.
Er niet aan denken helpt nu niet. Ik ben alleen maar bang van hem/
Ik kan het niet meer zien wanneer hij uit zijn auto stapt. Ik kijk niet meer. Ik voel me zelden kwaad. Nooit op hem, soms op zijn auto, het huis, zijn ouders. Bang, dom meisje dat ik ben.
En wanneer mijn moeder, terwijl ze uit de auto stapt, erg uitdrukkelijk en opvallend luid zegt "We kijken niet naar hen, maar we kijken de andere kant op" als ze zijn ouders buiten ziet, dan begint het bij mij te koken. Ik vind het erg vervelend dat ze dat zegt, maar ik weet niet waarom. Ik zou hetzelfde moeten zeggen, toch?
Ik wil niet dat mijn ouders zoiets moeten zeggen en erbij moeten denken: "Want zij zijn de ouders van de man die onze dochter...".
Ik wil niet steeds met m'n neus gedrukt worden op om het even wat met hem te maken heeft. Want dat doet pijn.
Kan hij op zijn leeftijd niet eens het huis uitgaan en z'n eigen plek zoeken. Maakt mij niet uit waar. Liefst ver ver weg. Maar niet rechtover me.
Zo, opgeschreven.
Dido xx |